VERZEKERINGEN AL EEUWEN OUD

Het verzekeringsbedrijf is in Nederland niet alleen een belangrijke sector in de economie, het kent ook een lange voorgeschiedenis. De oudst bekende Hollandse zeeassurantie polis dateert uit het jaar 1592. In de landen rond de middellandse zee, ItaliŽ voorop, is de premie verzekering ontstaan. De oudst bekende polis werd in 1318 in Florence gesloten. Het spoor der handel bracht de Italianen naar Vlaanderen, waar Brugge in de veertiende en vijftiende eeuw als een magneet voor de handel fungeerde.

Aan de verzekeringsovereenkomst als contractus qui generis zijn tal van constructies vooraf gegaan, waarin het begrip risico een rol speelde en die alle min of meer ten doel hadden de kans op schade over te dragen aan een ander. Een van deze vormen was de bodemerij, een geldlening aan een schipper of koopman, waarbij de uitlener het risico van het transport over zee op zich nam en de schipper na behouden vaart verplicht was het geleende bedrag verhoogd met een aanzienlijke rente terug te betalen. Deze overeenkomst was bij de Romeinen bekend onder de naam pecunia traiecticia of foenus nauticum. De bodemerij kwam nog lange tijd naast de verzekeringsovereenkomst voor.

Een veel voorkomende vorm van risicospreiding, die nog in de zeventiende een achttiende eeuw toegepast werd, bestond daarin, dat kooplieden hun zendingen doelbewust over verschillende schepen verdeelden.

 

EERSTE VERZEKERAAR

Het jaar 1720 bracht de oprichting van Nederlands oudste assurantiemaatschappij en Nederlands oudste makelaarsfirma in assurantiŽn: respectievelijk de Maatschappij van AssurantiŽn, Discontering en Beleening der Stad Rotterdam en de firma R. Mees & zonen, bij haar oprichting een compagnie van Cordelois, de Vrijer en Mees. Een assurantiekeur verscheen in 1721 en in 1722, tenslotte, werd het besluit tot de bouw van een nieuwe koopmansbeurs genomen, die in 1736 werd voltooid. De Stad Rotterdam, die oudste thans nog bestaande verzekeringsmaatschappij van Nederland zal medio 2005 samengaan met Woudsend en AMEV. Op 1 oktober 2005 gaan deze drie maatschappijen verder onder de naam FORTIS ASR.

 

BEURS EN MAKELAARDIJ

AssurantiŽn werden op de beurs gesloten en in het scheeprijke Rotterdam heeft met name de zeeverzekering de beurs ongetwijfeld en zeerste verlevendigd. Op 30 januari 1595 nam Rotterdams vroedschap het besluit. `te ordineren eene beurse ofte plaetse, daer de coopluyden heure vergaderinge zouden mogen hebben.ī Het was op de beurs, dat assuradeuren en makelaars in assurantiŽn met elkaar in contact konden treden. Waar de verzekeringspraktijk ontstond kwamen ook makelaars in assurantiŽn. In de zeventiende eeuw werden stedelijke keuren uitgevaardigd verzegeling van de makelaardij, met name in Amsterdam en Rotterdam.

 

BRANDWEER

Tot omstreeks 1800 is de zeeassurantie vanuit de belangrijkste tak van verzekering geweest. Rond de eeuwwisseling kwam de brandassurantie meer naar voren. De oudste historische bewijsstukken van brandassurantie in Nederland dateren uit het midden van de zeventiende eeuw. Het middeleeuwse Rotterdam, waarvan de huizen net als in andere steden in de regel gebouwd waren van uiterst brandbaar materiaal als hout en riet, heeft in haar oudste keurboeken maatregelen opgetekend, die getroffen werden aan het gevreesde element met de ten dienste staande middelen te bestrijden. Het heeft tot het midden der zeventiende eeuw geduurd, eer naast de brandemmers, brandspuiten, en dan nog zeer primitieve, aan het bluswerk deelnamen, een belangrijke verbetering betekenden de door Van der Heyden geÔntroduceerde slangbrandspuiten, die in het laatste kwart van de zeventiende eeuw in het Rotterdamse stadsbeeld verschenen. In de volgende anderhalve eeuw werd de slangbrandspuit geleidelijk naar verbeterd, totdat in het midden der negentiende eeuw de komst van de stoombrandspuit opnieuw een sprong voorwaarts in brandbestrijding betekende.

 

BRANDVERZEKERING

In de tijd dat brandverzekeringen nog een onbekend fenomeen was, probeerde men op andere wijze de nood van getroffenen te lenigen. Een van die zaken was belastingverlichting of uitstel van betaling van schulden. In individuele gevallen konden de slachtoffers van brandschade een beroep op de openbare liefdadigheid doen door bij een kerkelijke diaconie aan te kloppen of een bedelbrief, waarmee giften ingezameld kan worden, aan te vragen bij een wereldlijk gezagsdrager.

Het oudste Rotterdamse document, dat aan een brandverzekering refereert, dateert uit het jaar 1646. de eerste maatschappij die de brandverzekering uitoefende, was, zover bekend, de Maatschappij van Assurantie, Discontering en Beleening der Stad Rotterdam. In de tweede helft van de achttiende eeuw komen op het platteland steeds meer maatschappijen bij op onderlinge grondslag.

 

GILDEKAS, WEDUWENBEURS EN BEGRAFENISFONDS

Konden alleen kapitaalkrachtige personen zich de weelde van enige sociale zekerheid in de vorm van lijfrenten of contracten van overleving permitteren, de grote massa van de in gildeverband ondergebrachte stadsbevolking kende toch ook een zekere graad van sociale verzekering. Gilden vormden namelijk fondsen, waaruit gildebroeders kosten bij ziekte, ongeval of begrafenis bestrijden konden of waaruit hun nabestaanden uitkeringen kregen. Zoīn fonds kreeg de naam `bosī (i.e. bus). Het oudste historische document, dat melding van een gildebus maakt is een Amsterdamse ordonnantie uit het jaar 1527. Naast algemene kassen waren er `armenbossenī en `knechtsbossenī.

Nadat de staatsregeling van 1798 de gilden afgeschaft had, kwam eerst in 1820 een liquidatieregeling van de gildefondsen tot stand. De fondsen werden onder het beheer van commissarissen geplaatst en werden gestemd om uitkeringen te geven aan vroegere leden en hun nabestaanden, als ook aan hen, die hetzelfde bedrijf als deze ex-gildebroeders uitoefenden. Met het slaken der gildebanden moesten nieuwe patronen ontworpen worden voor de bestaanszekerheid van zowel neringdoende als werkman.

Baanbrekend werk werd door typografen en vooral ook door diamantbewerkers verricht, die rond het midden van de negentiende eeuw fondsen vormden om de nadelige gevolgen van ziekte, ouderdom e.d. te bestrijden, als ook uitkeringen aan weduwen en wezen te doen. Tezelfdertijd kwamen fabrieksfondsen voor, zoals te Rotterdam bij de fabriek van stoom- en andere werktuigen op Feijenoord, waar Roentgen een fonds instelde om het personeel of de weduwen schadeloos te stellen bij ziekte of sterfgeval. Doordat deze voorbeelden echter onvoldoende navolging vonden, ontstond in een zich industrialiserend Nederland echter de `sociale kwestieī, waarna geleidelijk sociale verzekeringen van overheidswege ingevoerd werden.

Omstreeks het midden der achttiende eeuw werden weduwenfondsen gesticht, waaruit weduwen van overleden deelnemers bijdragen ontvingen. Een dergelijk fonds is in 1749 door Rotterdamse ambtenaren opgericht, waarna andere volgden. In de achttiende eeuw ontstonden ook sociŽteiten met fondsvorming voor uitkeringen in geval van ziekte, ongeval of begrafenis. De negentiende eeuw bracht een uitgebreid pakket mogelijkheden op het gebied van de particuliere sociale verzekering. Er kwamen maatschappijen, waarbij men zich kon verzekeren tegen ziekte, invaliditeit, ongevallen enz. er kwamen op nieuwe leest geschoeide begrafenisfondsen. Een tussen levensverzekering en begrafenisfonds bestaande verwantschap wordt treffend geÔllustreerd door het feit, dat uit het Utrechtse begrafenisfonds onder de zinspreuk `Let op Uw eindeī (opgericht in 1847) de Levensverzekering Maatschappij `Utrechtī (opgericht in 1883) voortgekomen is.

LEVENSVERZEKERINGSMAATSCHAPPIJEN

In Nederland dateert de bedrijfsmatig uitgeoefende levensverzekering uit de aanvang van de negentiende eeuw. De vormen van levensverzekering, die voordien voorkwamen, berustten alle op onderlinge grondslag. Engeland kende de gehele achttiende eeuw door al levensverzekeringsmaatschappijen, waartoe, bij gebrek aan mogelijkheden dichter bij huis, ook personen op het vasteland, die een levensverzekering wilden sluiten, zich wendden. De Franse tijd bracht een breuk met Engeland en nu zag een ondernemend Amsterdamse assuradeur, Antoni Hartsen Cornz., mogelijkheden voor een Nederlandse levensverzekeringsmaatschappij, die in 1807 onder de naam Hollandsche SociŽteit van Levensverzekeringen opgericht werd.

De concurrentie liet lang op zicht wachten. Eerst in het jaar 1823 verscheen een rivaal, die meer dan een kortstondig bestaan leidde (tot 1847) met de naam Nederlandse Algemeene Levensverzekering Cie. Te Rotterdam werd in 1863 de Nationale Levensverzekering-Bank opgericht, toen de eerste o wetenschappelijke grondslagen gevestigde levensverzekeringsinstelling in de Maasstad. Uit de Rotterdamsche Verzekerings SociŽteiten van 1838, ontstond in 1895 de wetenschappelijk beheerde naamloze vennootschap van dezelfde naam.

Van overheidswege werd in 1830 koninklijke goedkeuring van oprichtingsakten van levensverzekeringsmaatschappijen verplicht gesteld en de vrijheid tot vaststelling van tarieven en beleggingen aan banden gelegd. Tengevolge van het laatste kwamen inheemse bedrijven in een ongunstige concurrentiepositie ten opzichte van buitenlandse maatschappijen te verkeren. De verhouding werd weer recht getrokken door een uitspraak van de Hoge Raad in 1880, welke het besluit van 1830 onwettig verklaarde. De nieuwe situatie die daardoor ontstond gaf aanleiding tot de oprichting van talloze ondernemingen: tussen 1880 en 1910 kwamen er niet minder dan 117 maatschappijen bij. Anderzijds begon zich na de eeuwwisseling een integratietendens af te tekenen, doordat grote maatschappijen de portefeuilles van veel kleinere overnamen. De economische crisis van 1920 bracht vele levensverzekeringsmaatschappijen in financiŽle moeilijkheden, waardoor overheidstoezicht uitgelokt werd. Een en ander resulteerde in de Wet op het levensverzekeringsbedrijf van 1922, waarbij een Verzekeringskamer als toezichthoudend orgaan ingesteld werd.

 

Bron: Clio betaald premie. historisch tafereel der verzekeringen, november 1975

 

Het Verbond van Verzekeraars heeft aan het Nederlandsch Economisch Historisch Archief (NEHA) de vraag neergelegd om de gehele geschiedenis van 1500 tot 2000 vast te leggen. In 2000 is het vierdelig werk verschenen met als titel: ZOEKEN NAAR ZEKERHEID. De afzonderlijke titels zijn:

De Rijke Republiek: gilden, assuradeurs en armenzorg 1500-1800

De Eenheidsstaat: onderlinge armenzorg en commerciŽle verzekeraars 1800-1890

De Ontluikende Verzorgingsstaat: overheid, vakbonden, werkgevers, ziekenfondsen en verzekeringsmaatschappijen 1890-1945

De Welvaartstaat: volksverzekeringen, verzekeringsconcerns, financiŽle dienstverleners en institutionele beleggers 1945-2000